DE EIK, DE VOS EN DE FAZANT

GESCHREVEN DOOR SARE

Vroeg in de ochtend werd ik wakker van geroep en gefladder, uitklappende en neerslaande vleugels. Buiten, in de ochtendmist zag ik haar onder deze eik: de vrouwtjesfazant die me uit mijn slaap had gewekt. Het was alsof haar kopje, één en al schutkleur, zich probeerde te verstoppen tegen de ruwe en donkerbruine bast van de eik. En de eik beschermde haar; haar gelobte bladeren aan de onderste takken, probeerde de fazant te bedekken in een omarming. De fazant was alleen, maar ze was zo druk bezig, zo alert in haar bewegingen dat ik me kon voorstellen dat ze nog niet zolang alleen was. Ik stelde me het avontuur voor dat ze had beleefd, terwijl ik nog aan het slapen was. Ik stelde me voor dat de vrouwtjesfazant oog in oog met een vos was gekomen. Haar fazantenhart was zo hard te keer gegaan dat andere vogels alarm hadden geslagen en weg waren gevlogen, maar in alle rust had de vrouwtjesfazant tegen de vos gezegd: ‘Jij ziet mij niet.’  

 

De rossige vacht van de vos had in het maanlicht geschitterd. Zijn hoektanten lang en gelig en glinsterend van honger.

‘Ik zie jou’ had de vos gezegd. Ook zou hij hebben gezegd: ‘Ik rende eerst langs het maisveld, en toen tussen de lage bramenstruiken en langs de hazelaars, en nu zie ik je. Je staat slechts twee meter voor mijn betrouwbare snuit.’ De fazant had haar ogen neergeslagen en dacht aan iets, dat de vos niet zou kunnen weten. ‘Maar vos,’ had ze gezegd, terwijl ze haar kopje weer sterk overeind hield ‘Jij ziet míȷ́ niet.’ De vos had zijn ogen tot kleine spleetjes geknepen en had gezegd: ‘ik zie jouw mooie bruine staart. Ik zie de tekening van je veren. Ik zie het spek onder je vleugels. Ik zie je heerlijke hals en je angstige blik, omdat ik vos ben.’

Ik ben niet bang voor jou’ had de fazant gezegd. ‘Ik sta hier voor je, omdat ik je wat zou willen leren.’ Vos keek fazant vragend aan. Hij maakte zijn gespierde lichaam klaar voor een gerichte sprong. Hij zou boven op haar hals terecht kunnen komen, maar juist toen vos wilde springen zei fazant: ‘Sluit je ogen eens vos. Verbeeld mij in je gedachte. Proef me en voel mijn malse lichaam langs jouw tanden glijden. Als je me dán ziet, dan mag je met mij doen wat je wilt.’

 

Vos sloot, een beetje verbaasd natuurlijk, zijn ogen en probeerde zich fazant voor te stellen zoals ze voor hem stond. Haar lange hals. Haar gevlekte veren, haar lichtbruine borst. Met zijn ogen gesloten wist hij niet hoe haar staartveren overliepen in haar rug en of ze van kleur veranderden. Hij wist niet of ze andere kleuren veren in haar kopje had en of haar pootjes lang of kort en pezig waren.

Vos probeerde het zich allemaal voor te stellen achter zijn dichte ogen en concentreerde zich zo goed dat hij niet hoorde hoe fazant weg was geslopen, onder woekerende bramentakken en tussen de brandnetels en het zevenblad door, richting de beek. Fazant rende en fladderde langs de beek, zoveel mogelijk verscholen tussen het riet en het hoge gras. Net zolang tot ze bij de eik terecht kwam en zich geborgen wist onder de gelobte bladeren en tegen de grove en donkere bast. Vos opende zijn ogen en zag fazant beter dan hij haar ooit had gezien.

ONGEMAK

GESCHREVEN DOOR SARE

‘Waarom voel ik ongemak?’ vroeg de jonge hazelaar aan de wijze berk.
‘Ongemak is wanneer je bladeren kriebelen.’
‘En waarom kriebelen mijn bladeren?’
De wijze berk dacht diep na en zei: ‘je bladeren kriebelen als je je wortels niet meer voelt.’
De hazelaar sloot haar ogen en probeerde haar wortels te voelen. Ze wist dat haar langs wortels lange banen onder de aarde hadden gemaakt, maar alles wat ze voelde waren haar bladeren die zo ontzettend kriebelden.
De berk zei: Bij ieder briesje, bij iedere regendruppel of windhoos, dansen je bladeren. Ze gaan van links naar rechts en van onder naar boven. Ze volgen de richting van de zon en het licht van de maan. Je probeert mee te bewegen, dat is tevergeefs. De wind, de regen, de zon, de maan; ze sturen je alle kanten op. Het is onmogelijk om je evenwicht te bewaren, als je je wortels niet voelt.’
De wijze berk sloot langzaam haar ogen en richtte haar aandacht op haar diepe, brede wortels die diep onder de aarde waren ingegraven en zich onder de grond verbonden met de wortels van andere bomen om haar heen.
De jonge hazelaar keek met ontzag naar de stevige witte stam die helemaal tot rust kwam. De bladeren van de berk deinden hoog in de lucht zachtjes heen en weer, maar de berk bleef onbewogen.
‘Wie zijn wortels niet voelt’ zei de berk met gesloten ogen ‘laat zich bewegen door de wind en de regen. En je weet nooit hoeveel wind er zal waaien of regendruppels er zullen vallen, of wanneer de zon weer doorbreekt. Daar komt het ongemak vandaan.’
Onder de grond zocht één van haar wortels, een hazelaarwortel en greep die zachtjes vast.
De hazelaar keek ondertussen bedenkelijk omhoog.
De wolken waren donker en grijs geworden en ze zag een windvlaag uit het oosten hun kant op komen. De hazelaar sloot, net als de berk, haar ogen en voelde haar wortels. Haar lange, harige wortels en hoe ze zich vasthielden aan de zandkorrels onder de aardlaag waar de mensen liepen én aan de andere grote en kleine wortels om haar heen.
De storm brak uit. De dunste takken en alle bladeren van de hazelaar dansten in de windvlagen. Haar kleinste takken braken zelfs af. Maar de hazelaar en de berk hielden hun ogen gesloten en stonden, met hun onbewelijke stam stevig op de aarde.
De hazelaar lachte in zichzelf. Het waren dit keer niet haar bladeren, maar het was haar hart, dat ze nu voelde kriebelen.

 

adres

Ruurloseweg 50

Vorden, Gelderland

Telefoon beheerders
0 6 - 47 01 75 64 (Wieteke)

0 6 - 27 32 08 81  (Hans)

0 6 - 53 37 23 66 (David)

Volg ons via

  • Facebook Reflection

© 2020 by Wientjesvoort-Zuid